Publicaties

Epifiet

Op de het internet vond ik informatie over een verhaal van mijn hand dat gepubliceerd was in SF Terra. In 1984. Het verhaal heet Epifiet.

038

SF Terra 1984#69-69a

Inhoud
Redactioneel
Martin Lodewijk
Ultra zonnesteek ? verhaal Aaldrik Emgee
Stripverhaal door Tom van Wanrooy
Gremlins – filmbespreking
Perry Rhodan
Epifiet ? verhaal J.A. Kurpershoek
Stonehenge ? strip Massee
Boekbespreking
Filmsnippers
Verenigingsnieuws

Duitsland – Was ich noch zu sagen hätte.

verhalenwedstrijd

Ik heb een uur voor de deadline mijn verhaal ‘Wachten op Götterdämmerung’ ingestuurd voor de verhalenwedstrijd ‘Duitsland – Was ich noch zu sagen hätte’. Geld is er niet mee te verdienen. Wel eeuwige roem. Uit de pakweg duizend inzendingen gaat men een longlist samenstellen van vijftig inzendingen, dan volgt een shortlist van vijf en tenslotte wordt daaruit de winnaar gekozen. De jury bestaat uit literaire critici van formaat. Vol verwachting klopt mijn hart.

Wachten op Götterdämmerung

 

 

Leesfragment ‘Een krokodil wordt nooit een boomstam’

 

kerk

Het huis van de familie Youhanna was een witte kubus met een schotelantenne op het dak. Ervoor was een groen gazon met een zwembad. De tuin was omsloten door een witgeverfde muur met daarop prikkeldraad. In de tuin stonden her en der palmbomen en olijfbomen met daartussen hangmatten gespannen. Twee dobermanns joegen achter een konijn aan. Een van de honden gleed uit in het natte gras. De zilvergrijze Mercedes stopte onder de carport. Het gezin stroomde de woning in.

Paulos was het balkon aan de derde verdieping opgegaan. De regen was gestopt. Hij rookte en nipte aan een glas scotch. Vochtig Mosoel glinsterde in het zonlicht.

Mijn stad. Mijn plek op de wereld.

Bij zijn buren stond de tv hard aan. Hij hoorde de stem van een nieuwslezer.

‘De zichzelf moslims noemende terroristen proberen vergeefs vanuit het westen ons land binnen te dringen. Onze trotse strijdkrachten jagen hen op, maken de indringers af als honden. Overal in de provincie Ninive worden ze teruggedrongen.’

Paulos was niet gerustgesteld.

Overal in de provincie Ninive worden ze teruggedrongen. Ze zijn overal in onze provincie. Pas geleden zeiden ze nog dat de terroristen naar Syrië gejaagd werden.

 

Zondagochtend was zoals altijd gewijd aan de dienst in de chaldeeuws-katholieke kerk. De priester in zijn wit met gouden gewaad sprak over de laatste nacht voor de kruising van christus.

‘Onze verlosser wist dat hij omringd was door vijanden. Hij vreesde de arglistige Farizeeërs en de genadeloze Romeinse soldaten. Hij wist dat de verrader Judas hem zou uitleveren en dat het kruis hem wachtte. Zo erg is het voor ons niet, broeders en zusters. Zeker, ook wij zijn omringd door vijanden. Maar wacht het kruis ons? Alleen God weet het. Ik denk dat de vijanden ons niet zullen kunnen bereiken, dat onze stad, het oude Mosoel waar wij al tweeduizend jaren wonen, gespaard zal blijven. God zegene het leger dat ons beschermt en God zegene ook onze islamitische buren die ons ook nooit in de steek zullen laten. Die zullen niet toestaan dat de barbaren ons kwaad doen.’

Paulos keek naar het beeld van Christus aan het kruis.

De priester is optimistisch. Wij, de Irakese christenen zullen niet gekruisigd worden. Onze buren zullen ons beschermen. Deel ik zijn optimisme? Ik geloof het eigenlijk wel. Ik denk dat de bui zal overwaaien.   

 

Na de mis werd Paulos aangesproken door Raphael, een buurman en ook een trouwe bezoeker van de kerk.  Raphael streek over zijn zwarte snor.
‘Dat was een staaltje van naïef op niets gefundeerd optimisme. Intelligente mannen zoals jij en ik weten wel beter. Mijn neef is door het land ten westen van Mosoel gereisd. De weg was vol vluchtende soldaten. Ze trokken zich niet terug, nee, ze namen mensen hun auto’s af en reden zo snel mogelijk oostwaarts. En, beste Paulos, hij zag in een christelijk dorp afgehakte hoofden. De priester zegt dat het kruis niet op ons wacht. Mijn neef zag in de uitgebrande resten van het dorp gekruisigde mensen. De terroristen zullen hier binnen enkele dagen zijn. Ze zullen door onze stad trekken. Paulos, ik heb een voorstel. Mijn vader is, zoals je misschien weet, erg ziek. Ik kan hier niet weg. Jij wel. Je hebt de plicht om weg te gaan. Denk aan je kinderen, broeder. Wat zal er met je dochters gebeuren wanneer de vijand de stad binnentrekt? Kun jij die gedachte verdragen? Ik heb een voorstel. Ik koop je zaak en ik geef je er twintigduizend dollar voor. Voor de zaak en de voorraad. Dollars, Paulos. Daarmee kun je een veilige en comfortabele reis regelen naar Europa. Denk aan je kinderen en je vrouw. Naar Europa! Het continent van de christenen. Horen wij daar eigenlijk niet thuis, broeder? Waar zou jij naartoe willen? Naar Engeland, denk ik.’

Paulos wees het voorstel af. Hij zag het minder somber in. Twintigduizend dollar was veel te weinig voor zijn bedrijf. Bovendien vermoedde hij dat Raphael hem wilde bedriegen.

Hij heeft een zeer slechte reputatie. Die blijft in geen geval voor zijn zieke vader en die denkt niet aan het welzijn van zijn buren. Het draait bij Raphael alleen om geld. Misschien weet hij een moslim die mijn zaak voor veel geld wil overnemen. Het verhaal over die gekruisigde christenen is een typisch horrorverhaal zoals mensen die in oorlogssituaties vertellen. Ik geloof er niets van.

 

Die nacht droomde hij bijzonder akelig. In zijn nachtmerrie liep hij over een paadje tussen hutjes door. Het dorp was verlaten. Paulos bleef staan en luisterde. Er was niets behalve het suizen van de wind. Hij slaakte een ongearticuleerde kreet. De stilte keerde daarna voor even terug. Dan weer geluid. De wind leek een zacht grinniken mee te voeren. Het was niet duidelijk of dat geluid van ver kwam of van dichtbij.

‘’Waar ben je?’ zei Paulos met bevende stem.

Hij keek opzij en verstijfde. Een magere man zat tegen een muurtje. Hij droeg aleen een lendendoek en had lange haren en een baard. Paulos liep met stijve benen naar de man.

‘Heb jij gelachen?’

De man keek naar hem op.

‘Ik heb niet gelachen, Paulos. Ik zie het leed dat komen gaat en ik zie geen enkele reden voor vrolijkheid.’

Paulos zag dat de man een doornenkroon droeg. Zijn adem stokte.

‘U bent Jezus, onze verlosser. Zult U ons niet beschermen?’

‘Nee. Mijn kinderen zullen Mij roepen en het zal stil blijven. Het zal lijken of Ik er niet ben en of Ik nooit bestaan heb. De kerken en de gelovigen zullen samen verbrand worden. Men zal klagen en roepen en bidden. Ik zal niet komen om te helpen of zelfs maar te troosten.

‘Dat is onmogelijk,’ zei Paulos schor.  ‘U mag ons niet in de steek laten.’

Jezus boog zijn hoofd.

‘Ik moet gaan.’

Hij betrad een onzichtbare trap die kennelijk in spiraalvorm naar de hemel leidde. Paulos zag Hem in de hoogte verdwijnen.

Het heeft geen zin te proberen hem achterna te gaan. Die trap is voor mensen afgesloten.

Paulos merkte dat de schemering was gekomen. Weldra zou het donker zijn.

Ik moet naar huis. Waar ben ik?

Hij liep het dorp uit en hij viel. Een moment lag hij op zijn rug op harde, vochtige voorwerpen. Paulos ging rechtop zitten. Hij wilde schreeuwen maar er kwam geen geluid uit zijn mond. Hij zat in een kuil met afgehakte hoofden. Een van die hoofden was het zijne.

 

Bezweet en met bonzend hart werd Paulos wakker. Hij wreef over zijn gezicht.

Verschrikkelijk. Nooit heb ik  zo ellendig gedroomd. Ik moet even wat water drinken en goed wakker worden. Ik wil niet weer in die nachtmerrie terecht komen.

Verstijfd staarde hij vanuit zijn bed in de richting van het op een kier geopende slaapkamerraam. Het leek of hij schieten hoorde, ver weg. Hij stond op en opende het raam helemaal. Het was stil. Mosoel sliep. De stem van zijn vrouw klonk.

‘Wat is er? Waarom sta je daar?’

‘Ik dacht dat ik schoten hoorde.’

‘Er is niets aan de hand. Je hebt het gedroomd. Kom naar bed. Kom slapen. En laat het raam niet zo ver open staan. Er komen allemaal beestjes naar binnen. Je weet toch dat ik daar bang van ben.’

Paulos sloot het raam en kroop terug in bed, naast zijn vrouw. In een opwelling kuste hij haar wild en lang. Het duurde meer dan een uur voor hij weer in slaap viel.

Het Boek der Angsten

Het Boek der Angsten

Viktor Nesselrode komt via een magische poort op de planeet Lemuria terecht. Die wereld dreigt door het leger van de wrede Heerser onderworpen te worden.

In de grotstad Lakonia wonen Spartanen die zich al duizenden jaren voorbereiden op de oorlog tegen de Heerser. Het is in die stad dat Viktor zijn magische krachten ontdekt en de belangrijke rol die hij gaat spelen in de toekomst van de planeet.

In de grotten van Lemuria wordt Viktor geconfronteerd met de onsterfelijke Afonati, met wie hij een onverwachte band blijkt te hebben.

(voorjaar 2015)